Geschiedenis

Geschiedenis

Geschiedenis van Gent

 
Geschiedenis Gent zuid en Sint Jacobskerk
In de middeleeuwen behoorde het gebied tussen de Brabantdam, die toen nog een dijk was, en de Reep – de Scheldehaven aan de Sint-Janskerk, nu Sint-Baafskathedraal – tot de meest moerassige en ongezonde zones van de hele stad.
De besmettelijke ziekten die regelmatig de stad uitbraken begonnen meestal hier. Het was dan ook naar hier dat, toen reeds, publieke vrouwen werden verwezen.
 
Het oude en originele Gentse stadsreglement anno 1486 vermeldt
 
sye wierden ghebannen over Schelde.
Het vermeldt ook dat alle bordeelhouders van de Sint-Nicolaasparochie naar ‘over Schelde’ moesten verhuizen in 1530.
dat alle vrauwen van lichten ende oneersamen levene ende conversatien, ruumen ende vertrecken uten heerlichen ende goeden ghebuerten dezer stede daer sy hemlieden houden, ende gaen logieren ende woenen in de plaetsen ende quartieren daer toe gheordonneert, te weten over Schelde, ende dit binnen de veertien daeghen, up pene van de ban van 10 jaeren.
 
In 1850 verrees het Zuidstation naar een ontwerp van architect Payen. Het was de bekroning van een actief spoorwegbeleid dat zich sinds 1837 vanaf de Zuid met de lijnen naar Dendermonde, Aalter, Deinze en later ook deze naar Brussel en Antwerpen had ontwikkeld. Rond het Zuidstation werden de eerste burgerhuizen opgetrokken, maar omwille van de toenemende activiteit rond het station werden ze weldra verbouwd tot café’s, restaurants en/of hotels. Er was vanzelfsprekend een verbinding nodig tussen het station en het stadscentrum en zo trok op aanvraag van architect Vander Donckt bouwmeester Eyckens in 1851-52 een winkelgalerij op tussen de Brabantdam en de Schepenenvijverstraat, op gronden van de voormalige fabriek Poelman-Hameling. Het werd de Vander Doncktdoorgang, in de volksmond al vlug Polkadoorgang of Gloaze Stroate geheten, want met haar fijne glasroeden en haar volledig beglaasd tongewelf was deze galerij met haar 18 winkels even transparant als een serreconstructie. In feite was zij het typische, wispelturige product van het negentiende-eeuwse liberaaleconomische systeem. Dit oord van luxe -en modeartikelen moest immers een soort publiek aantrekken dat zich het best thuis voelde in de illusionistische atmosfeer van het getemperde licht der passages en in het kunstlicht van theaterfoyers, koffiehuizen, restaurants en bars: de flaneur, de bohémien, de boulevardier en hun vrouwelijke equivalenten.
 
Nadat in 1866 een zware cholera-epidemie vanuit Overschelde de hele stad had geteisterd werd de provinciale medische commissie verzocht een onderzoek in te stellen. Het resultaat hiervan was een voorstel tot verregaande sanering van de nederscheldewijk: de Nederschelde, die het gebied met vele kronkels doorstroomde, moest overwelfd worden, de wijk moest uit haar isolement gehaald worden en omgetoverd tot een draaischijf van verkeer in de onmiddellijke omgeving van het nieuwe Zuidstation.
 
In 1880 keurde stadsingenieur Emile Braun een saneringsplan goed dat ontworpen was door architect Edmond de Vigne en ingenieur Edouard Zollikofer – het was reeds hun tweede voorstel – en zo werd n 1883 onder burgemeester Hyppoliet Lippens (1882 – 1895) één van de grootste urbanisatieprojecten uit de Gentse geschiedenis opgestart. Doorheen de kleine straatjes en beluiken van de wijk Overschelde werd de Vlaanderenstraat getrokken, een brede, licht buigende boulevard die zich aan de deels overdekte, deels gedempte Schelde V-vormig splitste in twee smallere boulevards, de Henegouwenstraat en de Limburgstraat. De V-vorm was misschien niet toevallig maar integendeel een bedekte verwijzing naar de ontvangende houding van de voormalige deernen uit de wijk, nu evenwel een open uitnodiging naar de bewoners van het oude stadscentrum toe om zich massaal naar het Zuidstation te begeven. Omgekeerd rekende men erop dat de vermoeide treinreizigers bij het uitstappen vanaf de Palace de la Station voortaan een verkwikkend zicht zouden krijgen op het schitterend perspectief van onze historische monumenten in plaats van op eene verzameling van huizen met trapgevels en duizenden schouwen welke den kim doorsnijden, en waarboven men, door eenen lichten nevel omringt, met moeite onze statige hoofdkerk, den draak van het Belfort, de aloude torrekens der Sint-Niklaaskerk en de ander klokkentorens ziet aanbreken, citaat uit de Gazette van Ghent rond 1840.
 
Rond de Vrijdagmarkt was er ook een druk bewoond kwartier dat een parochiekerk behoefde.
De eerste kerk werd begonnen in 1093, brandde af in 1120 en werd dan vervangen door een stenen gebouw. Bijna elk deel hiervan werd in de loop der tijden veranderd.
De Sint-Jacobskerk was totaal verschillend van die van Sint-Jan (= nu Sint-Baafs) en van Sint-Niklaas. Sint-Jacobs vertoonde veel meer lokale tradities in zijn architectuur en werd minder beinvloed door de ideëen uit Frankrijk of Brabant. De kerk had geen crypte. De twee westertorens doen ons aan sommige kerken uit Normandië. De octogonale toren is in lokale stijl. Het rechthoekige koor, waarschijnlijk met een gebogen absis en de twee oorspronkelijke kapellen aan de oostzijde van de kruisbeuk, waren onbevredigend van bij het begin. De smalle doorgang tussen de muren van het koor en van de twee kapellen verleende nauwelijks doortocht, de regen druppelde waarschijnlijk van de daken en beschadigde het gebouw.
 
De bouwmeester of de parochianen werden vlug ontevreden, want ze begonnen reeds rond de 13e eeuw veranderingen aan te brengen. De middenbeuk, die waarschijnlijk te somber en te zwaar was, werd vergroot en de kolommen werden hoger en eleganter. Ook de kapellen van de zijbeuken en van de kruisbeuk en het koor werden vergroot en aan de centrale toren werden twee verdiepingen toegevoegd.
Toch bleek dit alles niet voldoende want rond het einde van de 14e eeuw en het begin van de 15e eeuw werkte men aan de kapellen van de kruisbeuk en het koor: dit alles werd aanzienlijk gewijzigd, de muren tussen het koor en de kapellen werden verwijderd en men bouwde een groter koor met een brede wandelgang en vijf kapellen rond de absis.
Kerk en parochie deelden het wel en wee van de stad. Zo werd zij in de woelige 16e eeuw tweemaal geteisterd door de beeldenstrom (in 1566, het begin van de godsdienstige beroerten in de Nederlanden, en in 1578 tijdens het calvinistisch bewind. Het kerkmeubilair uit de gotische en renaissance periode werd nagenoeg volledig verwoest.
Pas rond 1600 kan het herstel definitief op gang komen. De meeste kunstwerken die u nu nog kunt bewonderen zijn van jongere datum.
Verdere wijzigingen in de 17e werden gevolgd door een volledige verandering in de 18e eeuw, toen elk beschikbaar oppervlak gepleisterd werd en nieuwe gevelspitsen en enorme deuren werden toegevoegd.
De Franse bezetting in de 17e en 18e eeuw gingen gepaard met opeisingen en inbeslagnemingen van al het zilverwerk en de meeste klokken.
In de 19e eeuw volgden nog meer ongelukkige ingrepen: een altaar, het koorgestoelte uit 1718-1720 en de barokke afsluitingen van de zijkapellen werden verkocht. Rond 1840 werd een nieuwe vloer gelegd, waarbij alle oude grafstenen werden verwijderd. Enkele werden daarna aan de muren bevestigd.
Dit alles leidde, in de 19e eeuw (1870-1906), tot een soort "restauratie" o.l.v. architect A. Van Assche, die de kerk in een romaans-gotische uitzicht wou herstellen. De "embellissementen" uit de 18e eeuw werden gelukkig verwijderd. Maar de furie van de neo-gotiek maakte het bijna onmogelijk om de oorspronkelijke lijnen van de constructie te herkennen. De westpartij van de kerk is in romaanse stijl hersteld, de rest van de kerk hoofdzakelijk in gotische stijl. Gelukkig was de centrale toren, hoewel hersteld, niet gewijzigd. De overgang van de romaanse naar de gotische bouwtrant is goed merkbaar aan de torens, waar de zuidtoren een 15e torenspits in Lediaanse steen (= steen uit Lede) heeft.
 
 
Bezienswaardigheden
De buitenzijde van de kerk is grotendeels opgetrokken in Doorniksesteen, afkomstig uit Henegouwen. Dit harde materiaal werd veelvuldig aangewend in de hele Scheldestreek, waar het gemakkelijk over het water kon vervoerd worden.
De kerk heeft een sober gotisch interieur. 
- Er staat een fraaie renaissancesacramentstoren (= torentabernakel), in witte, zwarte en roze marmer, met delen in gemarmerd hout en terracotta en delen in koper. Uitgevoerd in vroeg-barokstijl en toegeschreven aan Jeroom Du Quesnoy de Oudere in 1593. Vermoedelijk werd het afgewerkt in verschillende fasen en door meerdere kunstenaars tussen 1693 en 1751. Ze stellen taferelen uit Oud en Nieuw Testament voor.
- Er is het hoofdaltaar in barokstijl, in witte en zwarte marmer, gemaakt door Jacques Cocx in 1657. Dit hoofdaltaar bevat het schilderij De marteldood van de H. Jacobus door Jan Boeckhorst geschilderd in 1659. Bovenaan in de nis van dit altaar prijkt een beeld van Sint-Jacob als pelgrim. De altaartombe werd in 1784-1785 vernieuwd door Jacob Martens.
- Marmeren zijaltaren (17e en 18e eeuw);
- Koorgestoelte van ca 1830;
- Communiebank in smeedijzer, deels verguld en verzilverd, in 1834 gemaakt door Christiaens;
- Eiken preekstoel (= kansel) in Lodewijk XVI-stijl, vervaardigd door Jacques Dutry. Het houtsnijwerk is van de hand van Jacques Lagye. Het wit marmeren beeld van de H. Jacob, de vier marmeren bas-reliëfs op de kuip werden vervaardigd door Charles Van Poucke (1786-1792);
- Verschillende biechtstoelen in barokstijl (17e- 18e eeuw);
Er is een rijke verzameling schilderijen (46 stuks)
 
De Orde van de Trinitariërs
In één van de zijkapellen van Sint-Jacobs had de "Allerheiligste Orde van de Trinitariërs" haar onderkomen. Deze Orde kreeg onderdak in de vroegere kapel van de H. Cornelius. Sinds 1668 is het de kapel van de Broederschap van de H. Drievuldigheid.
De orde van de Trinitariërs werd in 1198 opgericht in Italië door de priesters Johannes van Martha en Felix van Valois. De orde stelde zich tot doel een grotere verering bij te brengen voor het mysterie van de H. Drievuldigheid, de gevangenzorg in het algemeen en de afkoop van christenslaven uit mohamedaanse gevangenschap in het bijzonder.
In 1641 werd door Monseigneur Triest, bisschop van Gent, een Broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid opgericht. De Gentse Sint-Jacobsparochie werd zo het coördinatiecentrum van de actie in de vlaamse gewesten. (1)
Daarom zijn de twee schilderijen (van Gaspar de Crayer en van Jan van Cleef) belangrijk. Waar Gaspar de Crayer de aandacht nog trekt naar de sultan, is zijn leerling reeds veel meer gedocumenteerd en is dit schilderij documentair vollediger (zicht op Algiers, Tripolis of Tunis, onderhandelen van een ordebroeder met een muzelmaanse vertegenwoordiger, bezoeken en moed inspreken van de gevangene slaven).
Ook in de "St-Walburgakerk" van Oudenaarde en in de "St-Petrus en Pauluskerk" van Oostende vindt men verwijzingen naar de confrerie.
 
Samenvatting van de geschiedenis van Gent door de eeuwen heen
Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er nederzettingen gebeurden in Gent in de prehistorie. Later, in de Romeinse periode, begon de kern van de stad te groeien in de buurt van de samenvloeiing van de 2 rivieren, namelijk de Schelde en de Leie. De Vlaamse naam voor ‘Gent’ komst waarschijnlijk van het Keltische ‘Ganda’, wat samenvloeiing of monding betekent.
 
 
Met de oprichting van de Sint-Pietersabdij (later de Sint-Baafsabdij) rond het jaar 630 groeide Gent verder. Later kwam er een tweede abdij bij, de zogenaamde Blandijnberg. Rond deze 2 religieuze centra kwam de beginnende stadskern tot stand. Deze nieuwe stad was belangrijk genoeg om een handelshaven te vestigen. Charlemagne gaf de haven zelf een vloot om zich te beschermen tegen de Vikings. Zowel in 851 als in 879 hebben de Vikings de stad aangevallen en geplunderd. Kort daarna werd een houten vestiging gebouwd voor een betere bescherming. Deze vestiging stond op de plaats waar zich nu het ‘Gravensteen’ bevindt.
 
Van de 11de tot de 12de eeuw groeide Gent uit tot een belangrijk handelscentrum, vooral dankzij de product van laken, vervaardigd uit Engelse wol. In 1178 schonk graaf Filips van de Elzas Gent zijn eerste privileges. Dezelfde graaf transformeerde de houten vestiging tot een stenen fort, beter gekend als het ‘Gravensteen’. In de 13de eeuw werd de stad geregeerd door een oligarchie van patriciërs, zij verdedigden hun eigen handelsinteresses constant tegenover de graaf en de corporaties.
 
Gedurende de honderdjarige oorlog koos de graaf van Vlaanderen de kant van de Franse koning. Maar Gent was grotendeels afhankelijk van de import van Engelse wol. Daarom vroegen de inwoners van Gent aan Jacob van Artevelde, om de handelsrelaties met Engeland te behouden. Door diplomatische acties is hij erin geslaagd en hij kon een conflict met de Franse koning vermijden. Jacob werd in 1345 vermoord door zijn eigen mensen, maar zijn zoon Filip van Artevelde zette de oppositie tegen de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male verder.
 
 
 
In de 15de eeuw stond Gent onder het bewind van Bulgaarse hertogen, zij hadden graafschap Vlaanderen verkregen door huwelijksbeleid. De stad sloeg erin zijn belangrijkste privileges terug te verkrijgen onder de jonge Bulgaarse hertogin, Mary. Haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. In de 15de eeuw was Gent onder het strikte toezicht van de Graven van Bourgondië (die Vlaanderen verkregen hadden door politieke huwelijken) De stad kon zijn belangrijke privileges behouden onder de jonge gravin van Bourgondië, Maria. Haar huwelijk met. Maximiliaan van Oostenrijk bracht de lage Landen in het Huis Van Habsburg. De kleinzoon van Maria en Maximiliaan werd geboren in Gent in het jaar 1500 : KAREL V. Alhoewel zelf geboren in Gent, strafte KAREL V zijn stadsgenoten streng omdat zij geen oorlogsbelastingen meer wilden betalen 
 
Onder het bewind van Philip II van Spanje (zoon van Karel V) leed Gent, net zoals de meeste Vlaamse steden en de Lage Landen, onder de religieuze problemen tussen Protestanten en Katholieken.Veel mensen verlieten het verarmde Vlaanderen en trokken naar Engeland en Duitsland. Het was enkel onder de Burggraven Albrecht en Isabella dat Gent weer bloeide. Later verbeterde de economische situatie door de aanleg van een kanaal tussen de Gentse haven en de stad Oostende. Oorlog was echter nooit veraf. Zeker toen Loius XIV van Frankrijk herhaaldelijk Vlaanderen probeerde te veroveren.. De Oostenrijkse periode van de 18de eeuw bracht vrede en welvaart. Nieuwe industrieën werden opgericht: suiker, katoen.
 
 
 
In 1795 werden de vroegere Oostenrijkse Nederlanden bij Frankrijk gevoegd.Vanaf 1800 begon de katoenindustrie te bloeien.. Een bewoner van Gent, Lieven Bauwens, smokkelde de bouwplannen van een katoenmolen vanuit Engeland. Gent werd één van de belangrijkste industriële centra van het Franse Rijk. Na de Slag van Waterloo en het verlies van Napoleon, werden de Franse Nederlanden verenigd met Nederland in de Verenigde Nederlanden. Koning Willem I stichtte de Gentse Universiteit in 1817 en bouwde het Kanaal Gent-Terneuzen. Gent groeide steeds meer als industrieel centrum.Het aantal inwoners verdriedubbelde in de 19de eeuw. De verschrikkelijke werk –en woontoestanden resulteerden in de eerste Belgische vakbondsbeweging in Gent. Gent speelde ook een belangrijke rol in de Vlaamse Beweging in België. . In 1930 werd de Gentse Universiteit Nederlandstalig. Nu heeft Gent ongeveer 280.000 inwoners. Het is de hoofdstad van de Provincie Oost-Vlaanderen.